Van Cornelis Winkler (1855-1941) naar Wouter Buikhuisen (1933-2025)
Dr. Henk van Rinsum
In 2023 is mijn boek over het koloniale verleden van de Universiteit van Utrecht gepubliceerd. Het boek was een resultaat van jarenlang werken in de ‘universitaire ontwikkelingssamenwerking’; de ‘Ander’ helpen om verder te ‘ontwikkelen’ (want hij/zij was onderontwikkeld of primitief)! Ik besloot om een boek te gaan schrijven over de ‘Olie-faculteit’, die vreemde, conservatieve opleiding voor ambtenaren in Indië als tegenhanger tegenover het liberale Leiden.
Ik heb inmiddels besloten om toch een andere route te gaan. Onder andere door het boek van Marens Engelhard over de ‘Javaanse Psyche’, door mijn eigen interesse in de dokter, anatoom en eerste antropoloog in Utrecht, J.H.F. Kohlbrugge die schreef over de koloniale psychologie, en het anatomisch-antropologisch onderzoek naar schedels en skeletten in de jaren ‘20 in Utrecht onder leiding van prof. A.J.P. van den Broek, kom ik in een ander veld. Ik maakte al kennis met Cornelis Winkler, de eerste hoogleraar psychiatrie in Utrecht. Hij had op verzoek van de Nederlandse (koloniale) overheid enige tijd in Indië onderzoek gedaan naar de oorzaken van Beriberi.

Winkler (1855-1941) was ook enige tijd voorzitter van de Nederlandsche Anthropologische Vereniging. Hij was actief betrokken bij de organisatie van het vijfde ‘Crimineel-anthropologisch congres’ dat in 1901 in Amsterdam werd gehouden. Hij heeft in Nederlandse gevangenissen onderzoek gedaan in de traditie van de Italiaanse criminoloog Cesare Lombroso (1835-1909), de grote man van de Italiaanse (biologische) school in de criminologie. Lombroso sprak over de ‘delinquente nato’, de geboren misdadiger. Winkler kende Lombroso persoonlijk.
Winkler heeft uiteindelijk wel afstand genomen van het denken van Lombroso. Maar voor Winkler was het duidelijk: psychische defecten zijn alleen maar terug te voeren op hersen-defecten. In 1885 sprak hij de intree-rede bij zijn benoeming tot lector uit in Utrecht: De plaats der psychopathologie als hersen-pathologie in midden der klinische wetenschappen. In zijn opvattingen scheerde hij langs de afgrond van de eugenetica. Intellectuele arbeid van vrouw wees hij pertinent af. In 1925 treedt Winkler af.
Veertig jaar later, in 1965 promoveert Wouter Buikhuisen in Utrecht op een dissertatie ‘Achtergronden van nozemgedrag’. Buikhuisen wordt ‘berucht’ om zijn concept van een bio-sociale criminologie. Hij gaf een centrale plek aan het functioneren van de amygdala. Buikhuisen wordt met name aangevallen door de columnist Piet Grijs in Vrij Nederland. De ‘affaire Buikhuisen’ is geboren.
Er is wel eens gesuggereerd dat Buikhuisen zijn tijd te ver vooruit was. Dat is maar zeer de vraag gelet op bij voorbeeld zijn ‘voorganger’ Cornelis Winkler in Utrecht. Er was mogelijkerwijs eerder sprake van een wetenschappelijk vertoog dat in wezen een oude lijn van denken weer opnam maar die in de ‘cultuur’ van het tijdsgewricht van de jaren 70 niet geaccepteerd werd in delen van de samenleving.

Het wordt dus een zoektocht door de krochten van de voortdurende oppositie ‘nature x nurture’. Ik denk dat die nature – nurture oppositie eigenlijk vanaf het begin van het denken door mensen alle wetenschappen heeft gedomineerd. Ik ben ook even naar de Griekse filosofie uitgeweken, Plato, Aristoteles, Sofisten etc., physis x nomos, gewoon nature x nurture! De oppositie is blijkbaar van alle mensen in alle tijden. Shakespeare gebruikte de tegenstelling ook al in The Tempest (rond 1611), waar hij over het personage Caliban schrijft ‘a born devil, on whose nature / nurture can never stick’. In 1874 publiceert Francis Galton zijn English Men of Science; their Nature and Nurture.
Deze oppositie zal niet meer verdwijnen! En deze oppositie is bepaald geen ‘neutrale’ tegenstelling. En dat komt wel heel pijnlijk actueel naar voren in de wijze waarop sommige ‘rassenrealisten’ (zoals Nathan Cofnas) hebben geprobeerd Jason Arday te ‘classificeren’.
Kortom, ik ga mij verder verdiepen in het gedachtengoed van onze eerste hoogleraar in de psychiatrie in Utrecht en mede-initiator van de ‘crimineele anthropologie’ en het denken eind negentiende eeuw – begin twintigste eeuw over ‘ras’.